maandag 2 mei 2016

Hier is hem terug



Inleiding uitgesproken op de boekvoorstelling van 'Wannes. Hier is hem terug', op 29 april 2016 in De Roma. 

Beste Wannes,

Ik schrijf u op de dag dat ge 79 zoudt zijn geworden, niet toevallig ook de dag dat we in aanwezigheid van veel van uw vrienden uw biografie voorstellen. Sommigen zullen hem een klinker noemen. Een klinker voor een leraar, filosoof, zanger en dichter. Daar valt iets voor te zeggen: het boek telt meer dan 500 pagina’s en weegt bijna evenzoveel kilo – goed, ik overdrijf, maar het is toch een uit de kluiten gewassen baksteen.

Er is niks tegen bakstenen, integendeel. Maar mij komt uw biografie eerder voor als een kathedraal. En de bouwheer laat zich aanspreken met Dree Peremans, uw goede oude vriend. De hoofdtitel is kort maar krachtig: Wannes. Omdat gij een van die zeldzame mensen zijt die alleen een voornaam behoeft, en daarmee smeer ik u geen stroop aan de baard, want – op het gevaar af u te schofferen – mijn marketingcollega’s van uitgeverij EPO hebben daar een bescheiden onderzoek naar gedaan. De ondertitel luidt: Hier is hem terug.

Hier is hem terug. Ergens achteraan het boek beschrijft Dree wat er gebeurde toen ge dat nummer voor het eerst op een podium bracht. Het was in de AB, tijdens het eerste concert na uw ziekte, we schrijven 2006. ‘Tranen rolden over vele wangen. Geliefden knepen in elkaars handen, zaten stokstijf en ademloos te luisteren. Het applaus liet enkele seconden op zich wachten, zolang duurde het voor een ontroerd publiek zijn zinnen weer op een rij had. Wat volgde was een minutenlange ovatie, uit eerbied en respect.’

Ge hoort me hier niet zeggen dat zich woensdag op onze uitgeverij dezelfde taferelen afspeelden toen uw biografie van de persen rolde. Maar héél veel heeft het nu ook niet gescheeld. De reden daarvoor vindt ge in het boek onmiddellijk na de passage die ik zonet citeerde. Want na die frase over de minutenlange ovatie merkt Dree, de bouwheer, op: ‘Daar stond een man die zo vaak had verwoord wat anderen dachten. Een man die voor meer dan één generatie een boegbeeld was geworden. Een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet tegen de onzin die dag na dag wordt rondgestrooid.’

Het lijkt me een zware taak om een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet te zijn. Maar het lijkt me ook een mooie taak. Zelf kan ik zonder blozen zeggen dat gij mijn en vele anderen hun wereldbeeld en politiek engagement mee vorm hebt gegeven. Mijn punkvrienden begrepen nooit dat ik én van The Clash hield én van u. Tot ze mee naar de 0110 concerten gingen, een week voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. En ge daar De flamingant ne me traîtez inzette. De flamingant ne me traîtez, je suis Flamand, fils d'ouvrier. Zieltjes heb ik in mijn leven nooit gewonnen. Maar wat was ik blij en fier dat ze na dat optreden ook de rest van uw oeuvre ontdekten.

Soms, beste Wannes, ben ik benieuwd naar uw gedacht over de gang van zaken vandaag. In uw stad Antwerpen, in Vlaanderen, België en de rest van de wereld. Veel van uw liedjes klinken alsof ge ze gisteren schreef. Of Von Braun nog steeds in de Larousse staat, dat heb ik niet gecontroleerd. Maar  Kerstmis is nog steeds dien dag dat ze niet schieten, Lange Wapper staat nog steeds niet in de gratie, ’t pensioen voor de werkman bestaat nog steeds uit wat centen, en d’omgekochte leiders helpen ons nog steeds in de nesten – al spreken zij geen Frans en zwijgen ze maar niet van de Vlaamse kwestie.

Ik zou zo nog een tijd kunnen doorgang. Maar ik wijk af. Want ik schrijf u over uw biografie, die eigenlijk een kathedraal is. Ik had zo graag geweten wat ge ervan vond. Ik dreig te denken dat ik er nogal gerust in ben. Want als ge erin leest, als ge de woorden naar binnengiet gelijk een goede wijn, dan hoort ge uw stem. Dan denkt ge: ja, hier is hem terug.

Beste Wannes,

Het wordt een grote avond. Met een lang programma waarin, ik schreef het al, veel van uw vrienden zullen figureren.

Een zanger is een groep, dat weet gij beter dan wie ook. Er hebben veel mensen deze biografie mogelijk gemaakt. Ik wil er namens de uitgeverij drie in het bijzonder bedanken. 

De eerste is vanzelfsprekend Dree Peremans. Op de voorstelling van zijn vorig boek noemde ik hem de Vlaamse Stachanov omdat hij op een jaar tijd twee boeken bij elkaar had getikt. Dat was om te lachen. Maar als ik uw biografie lees begin ik het nog zelf te geloven. Hij heeft er acht jaar aan gebouwd en verbouwd, en het resultaat is zowel vormelijk als inhoudelijk verbluffend. Het is helemaal zoals Peter Vantyghem vandaag in zijn viersterrenrecensie in De Standaard schreef: “Niemand is beter geschikt om het rijke leven van Wannes in woorden te vatten dan Dree.” Op onze uitgeverij noemen we Lucas Catherine, een generatiegenoot, graag historicus van Vergeten Zaken. Ik stel voor dat we Dree voortaan bestickeren als Archivaris van de Folk. Na dit boek, maar ook na Naar de bronnen van de Folk, de biografie over Dirk Van Esbroeck, en het Groot Liedboek lijkt me dat meer dan gepast. 

De tweede kent ge wellicht minder. Hij heet Jos Hennes. Jos was een half leven uitgever van EPO. Sinds zijn pensioen komt hij nog drie dagen per week als vrijwilliger en kreeg hij bij ons de titel senior publisher. Hij hoort dat niet graag maar we zeggen het toch. Als er iemand op de uitgeverij verdienste heeft aan dit boek, dan wel hij. Het aantal uren dat hij in het boek stak is niet te tellen.

Last but not least wil ik uiteraard Christa Van de Velde-Bernhardt bedanken. Ik heb nooit aardbeitaartjes met haar gegeten, laat staan thee of sherry gedronken. Maar die ene ontmoeting met haar op onze uitgeverij koester ik. Deze kathedraal is uiteraard ook voor haar. Het is me dan ook een eer en een genoegen dat we het eerste exemplaar van de biografie nu officieel aan haar en haar zoon Christian mogen overhandigen.

Vriendelijke groet,
Thomas



zaterdag 15 augustus 2015

Een tedere schrijver op de pechstrook van het leven


‘En als we dood zijn / groeit er gras op onzen buik / gras op onzen buik.’ Hij droeg een hoed maar schreef over kleine mensen en over de dingen die voorbijgaan. Met Eriek Verpale stierf maandag een tedere en lieve man, maar ook een auteur die totaal ten onrechte in de vergetelheid sukkelde.

Op de boekvoorstelling van Ik was nog nooit in Zelzate geweest
Onze eerste ontmoeting dateert van 2008. Ik zwoegde aan mijn labyrintisch relaas van socialistische burgemeesters, bezettingen en fabrieksstakingen, gipsbergen en slibstorten, mémékes die weigeren gemeentetaks te betalen en de opkomst van de nieuwlichters van de PVDA, bref aan wat Ik was nog nooit in Zelzate geweest zou worden, en wilde hem daar dolgraag een rol in geven. Tenslotte ging het boek over zijn geboortedorp.

We hadden afgesproken in café Napoleon, op wandelafstand van de Zelzaatse Grote Markt, die eigenlijk een Lange Markt is. Het was een februariwoensdagochtend, het miezerde, mijn bus had door een accident in Wachtebeke een uur vertraging, en ik moest dringend naar de WC. Maar bovenal was ik onmiskenbaar nerveus: ik hou niet zo van ontmoetingen met schrijvers die ik graag lees. Op papier zijn ze doorgaans beter.

Eriek Verpale, in Zelzate gewoon Eric met korte i en c, was anders. We rookten een sigaret en hij vertelde over de liefjes die hij in de loop van de jaren had ontvangen op zijn appartementje naast de dokters van Geneeskunde voor het Volk, waar mijn boek deels over ging: de altijd blootsvoets lopende Boes, de broodmagere Kookske, de ‘pijnlijk mooie’ Lotte en Anniekske Boetiekske. ‘Anniekske Boetiekske’, grijnsde hij, ‘was het mooiste meisje van Zelzate.’

Toen ik hem twee interviews later vertelde over mijn initiële nervositeit keek hij nauwelijks verrast: hij was evenmin een sociaal beest. Dat ik er in één adem aan toevoegde dat mijn ongemak vergroot werd omdat ik me op ‘zijn terrein’ begaf, deed hem dan weer lachen. Alsof hij ervan droomde de geschiedenis in te gaan als de chroniqueur van Zelzate! Eriek Verpale speelde in een andere competitie dan veel van zijn collega-literatoren: het circus van ego’s en agenda’s was hem vreemd.

Nette armoede

De auteur met de hoed werd in 1952 uit een werkmansbroek geschud. Vader  was vrachtwagenchauffeur bij een bierbrouwerij – vandaar de vele ‘werkbezoeken’ aan staminees, ook na zijn uren. Moeder moest zich als kuisvrouw ‘het vel van de knieën dweilen’ op het kasteel van de rijke familie Swann. ‘Nette armoede’ voor de enen, protserige rijkdom voor de anderen: al op jonge leeftijd wist hij hoe de samenleving in elkaar zat.

Dat maakte hem geen schrijver die de mensen een geweten schopte, daarvoor was hij te veel scribent van zijn ziel, te veel verslaggever van zijn queeste naar het Ultieme Meisje. Maar het was duidelijk voor wie zijn hart klopte. De jonge Arnon Grunberg, die hem in 1993 voor de Nederlandse krant NRC kwam interviewen, vertrouwde  hij toe papieren monumenten te willen oprichten voor ‘de mislukkelingen, de losers, de gekwetsten en de verminkten’.

En hij koos niet alleen kant in zijn boeken. Toen de Orde van Geneesheren in 1998 ‘zijn’ PVDA-dokters wilde schorsen trok hij mee naar de rechtbank. ‘Profiteer maar van de zieken, vul uw zakken maar via de farma-industrie’, blafte hij tijdens een indrukwekkende rede die veel van een J’accuse had. ‘Maar zolang ik leef zal ik in woord en geschrift uw houding aanklagen en zal ik blijven ijveren voor het principe van gratis geneeskunde voor het volk.’

Moeder Zulma, wijk De Katte en de usine de merde

Eriek Verpale had naar eigen zeggen geen fantasie. En dus schreef hij verhalen neer waar hij niet lang naar moest zoeken, histories die gewoon voor het oprapen liggen, zoals een verloren want op straat. Over zijn tragische liefdes, uiteraard. Maar ook over het café van Moeder Zulma, over wijk De Katte, zijn werk bij de usine de merde aka het Teerkot. Of over de Jiddische literatuur die hij als zijn broekzak kende, want hij groeide op bij zijn Joodse grootmoeder.

Met Alles in het klein, Olivetti 82, en Katse nachten raakte hij in de jaren negentig bekend bij een breed publiek. Kenmerkend was zijn volkse stijl, vaak vol schuine grappen die de grootste tristesse opvrolijkten. ‘Mijn lief die is van Ronse / en ik, die ben van Gent / Ik pak heur bij heur sponse / en zij pakt mijnen end’, noteert hij ergens in Olivetti 82. Of in Grasland: ‘En mijn lief, dat is geen sluure / want ze heeft hem liever in heur gat / dan in heur uure.’

Na de eeuwwisseling werd het erg stil rond Eriek Verpale. Er verschenen geen boeken meer van zijn hand, al deerde hem dat niet. Nog voor zijn eerste successen liet hij optekenen géén ‘literator’ te zijn en van publiceren en uitgeven zijn bekomst te hebben. ‘Ik wil gewoon schrijven, en laat het dan desnoods brieven zijn die alleen door jullie worden gelezen’, staat al in Alles in het klein

‘Godverdoemme! Godmiljaar!’

Een paar jaar geleden zag ik hem voor het laatst. Het Klara-programma Babel had ons gevraagd voor een reportage in Zelzate, naar aanleiding van een theaterstuk van het KIP. Verpale maakt een verwarde indruk. In een café legde hij een pistool op tafel, ‘want ge weet nooit tegenwoordig in Klein Rusland’. Hij kloeg over de toegenomen onveiligheid. ‘Klein-Rusland en de Katte, die twee samen, dat noem ik Klein-Sicilië. Dat komt door de clangeest. Er heerst hier een sterke clangeest. Ik zeg niet: maffia. Maar clangeest.’

Toen we tweeënhalf uur later terug aan zijn auto kwamen vond hij z'n sleutels niet meer. Tien minuten alle zakken aftasten. ‘Godverdoemme! Godmiljaar!’ Hij was ervan overtuigd dat de schoffies van de wijk hem een loer hadden gedraaid. Met z'n drieën kamden we alle bosjes van de buurt uit. Maar zijn sleutels zaten uiteindelijk waar ze al die tijd gezeten hadden: op z'n deur. Hij vond het zelf niet erg.

Zo was Erik Verpale. Velen zullen hem missen.


vrijdag 7 november 2014

Hart boven Hard op de betoging: ‘Deze winter kunnen ze de stroom uitschakelen maar de sociale stroom niet’



Hart boven Hard, de burgerbeweging die meer dan duizend middenveldorganisaties bundelt, is nauwelijks twee maanden oud. Maar het geluid dat haar hartslag voortbrengt klinkt nu al als een lied van verzet, hoop en perspectief. Dat was donderdag op de betoging niet anders.

Co-initiatiefnemer van Hart boven Hard Wouter Hillaert kondigde het vorige week al aan in een interview met solidair.org: ‘We hebben ervoor gekozen om niet op te gaan in de betoging maar op een eigen manier aanwezig te zijn en het geheel kleur te geven. We zullen post vatten op de kruising van de Emile Jacqmainlaan met het De Brouckèreplein te Brussel. Daar zullen we een groot spandoek over de weg spannen waar de betoging onderdoor gaat.’

Zowaar. De betoging is dan wel een gekrioel van hier en daar en ginder en alles tegelijk, het tijdelijk arendsnest van Hart boven Hard blijft voor niemand onopgemerkt. Wie het De Brouckèreplein nadert ziet niet enkel het spandoek hoog over de weg maar ook tientallen mensen die bordjes met opschriften als ‘care’, ‘research’, ‘arts’ de lucht insteken, en evenzoveel collega’s die flyers met drie hartenwensen voor een andere samenleving uitdelen – bovenaan lees je: ‘Er is wél een alternatief.’

Maar het meest in het oog springt zonder twijfel de grote vriendelijke reus die er ook al bij was toen Hart boven Hard zijn alternatieve septemberverklaring ging afgeven aan het Vlaamse parlement. In de gigant herkennen we beeldend kunstenaar en acteur Benjamin Verdonck. Terwijl de stoet onder zijn schaduw passeert en een groep Luikse metallo’s hem luid toejuicht proberen we een gesprek aan te knopen. Gezien het verschil in lengte is dat makkelijker gezegd dan gedaan.

Kate MacIntosh, een jonge Nieuw-Zeelandse kunstenares die al veertien jaar in Brussel woont, monstert het tafereel en schatert het uit. Beroepshalve shaket ze theater, variété en comedy door elkaar, iets waar Verdonck zich in zeker zin ook mee onledig houdt. ‘Maar’, zo pepert ze ons in, ‘Hart boven Hard overstijgt mijn sector ver. Want we beleven een ideologische shift, de hele maatschappij wordt op een neoliberale leest geschoeid. Iedereen moet daartegen aan hetzelfde zeel trekken.’

Lied van het Eenheidsfront

Aan hetzelfde zeel trekken, eenheid in de strijd, tous ensemble: het zijn gezegdes zo oud als de sociale beweging en echo’s die we die namiddag wel vaker horen. En het moet gezegd: ze klinken niet vals. Wanneer we de organisaties turven die met het Hart boven Hardbanier zwaaien dreigen we alras de tel kwijt te raken. Van Samenlevingsopbouw tot Okra en KWB over Vluchtelingenwerk, KAJ, uitgeverij EPO en Kifkif, allemaal zijn ze present op de elleboog van Emile Jacqmain en De Brouckère.

‘Wij komen op voor mensen in armoede en die worden zwaar getroffen door de nieuwe regering ’, vertelt Frieda van Welzijnszorg. ‘Maar evengoed willen we met onze steun aan Hart boven Hard het belang van het middenveld benadrukken. Want het is geen toeval dat de Zweedse coalitie dat middenveld zo zwaar aanpakt.’ Haar buurman kopt de puntgave voorzet binnen. ‘Om de sociale zekerheid af te breken moet je eerst de vakbonden en het middenveld oprollen’, bromt hij.

Bruno Verlaeckt van de Algemene Centrale hoort het met een tevreden gezicht aan. ‘De vakbond loopt hier hand in hand met Hart boven Hard. Ik ben een beroepsbetoger maar ik kom hier bewegingen tegen die ik vroeger zelden tegenkwam. Dat betekent dat het verzet zich verbreedt. Ik denk ook dat er een kentering bij de publieke opinie is ingezet. Wat schrijvers Tom Lanoye, Erwin Mortier en Stefan Hertmans vandaag op de boekenbeurs doen (de drie schrapten hun interview over WO I om te protesteren tegen de regering, nvdr) is bijvoorbeeld niet te onderschatten.’

Alsof de duivel ermee gemoeid is waait vanuit een soort alternatief frietkraam het Lied van het Eenheidsfront van Brecht en Eisler de straat op. Leden van drie koren, het Brecht Eislerkoor, het Omroerkoor en La Canaille, zingen zich de longen uit het lijf. ‘Bandierra Rossa en De Internationale zijn onze belangrijkste hits’, vertelt Karim Zahidi. ‘Klassiekers, jazeker. Maar dat mag niet verbazen. Hart boven Hard is een nieuw geluid maar er is continuïteit met het verleden.’

En een flinke dosis vertrouwen in eigen kunnen. Want het zal wel geen toeval zijn dat Hart boven Hard die goede oude Elsschot citeert op zijn flyer: ‘De groten hebben de macht, maar de kleinen zijn talrijk en tegen de mieren is geen tijger bestand.’ Al heeft professor Jan Blommaert ook wel een mooie wijsheid in de aanbieding: ‘Ze kunnen deze winter de stroom uitschakelen maar de sociale stroom niet.’

zondag 2 november 2014

Slotpleidooi Hart boven hart in Sint-Niklaas, 20 oktober 2014


Goedenavond,

Toen Raoul Flies me vorige week aanzocht om het slotwoord van deze avond uit te spreken zat ik net thee te drinken met Jan Vranken.

Voor wie Jan niet kent: hij is emeritus professor aan de Universiteit Antwerpen en dé expert armoedebeleid in dit land.

Vijf maanden geleden bracht hij bij EPO een boek uit dat alleen al door zijn titel nogal wat commotie veroorzaakte: Thatcher aan de Schelde.

Jan Vranken hekelt in dat boek ‘Voor wat hoort wat’, de filosofie die Patrick en Monica introduceerden in Antwerpen. Maar het huidige bestuur bestickert hij toch nog als iets van een andere, zo u wil hogere, orde.

‘De coalitie van De Wever’, schrijft de professor, ‘heeft een duidelijk marsbevel: dat van leermeester Dalrymple en idool Thatcher. Anders gezegd: straf de armen en neem meteen maar het sociale beleid en het middenveld mee.’

Ik denk dat we op de uitgeverij één fout hebben gemaakt: we hadden voor een ondertitel moeten zorgen. Die had bijvoorbeeld kunnen zijn: “Antwerpen als laboratorium voor Vlaanderen en België.”

Dat is niet eens zo ver gezocht. Heer Wever zei het vorige week nog in De Standaard: ‘Deze coalitie wilde ik. Ik heb ze in Antwerpen in mijn stadhuis, ik heb ze in de Vlaamse regering geïnstalleerd gekregen en ze zit nu ook hier in Brussel.’

Eigenlijk zou iedereen Thatcher aan de Schelde moeten lezen, mijn excuses als dit naar sluikreclame voor mijn uitgeverij ruikt.

Want Thatcher wist: om liberaliseringen, privatiseringen en ontregelingen door te voeren en om de sociale zekerheid te ontmantelen moet je eerst komaf maken met de arbeidersbeweging.

Ik citeer een zin uit een officieel document van de Tories: ‘Niet het bestaan van klassen bedreigt de eenheid van de natie maar het bestaan van klassengevoelens.’ Of nog eentje: ‘Er is niet zoiets als een collectief bewustzijn, collectieve vriendelijkheid, collectief fatsoen en collectieve vrijheid.’

U begrijpt waar ik naar toewil: het is fantastisch dat Hart boven hard meer dan duizend middenveldorganisaties groepeert. Maar het is ook meer dan noodzakelijk. We moeten die eenheid met alle middelen koesteren en bewaken. De culturele sector alleen zal het niet halen, de sociale sector alleen ook niet. Hetzelfde geldt voor de rode groene en blauwe vakbond.

Je hoef niet Madam Soleil te heten om te weten dat het de komende maanden en jaren een strijd en geen koffiekransje wordt. Hart tegen hard, quoi.

Ik zeg zulks niet omdat de wens de vader van de gedachte is. Wie vind dat ik overdrijf moet de beide septemberverklaringen maar eens naast elkaar leggen, die van Bourgeois en de alternatieve die Elise aan het begin van deze avond heeft voorgelezen.

De onvolprezen Thomas Decreus, onder andere collega van Ciska bij DeWereldMorgen.be, zou spreken over twee maatschappijvisies waartussen een tijdelijk compromis, laat staan een consensus, nauwelijks denkbaar is. Twee perspectieven die onverenigbaar zijn. Met hem denk ik: een fundamentele tegenstelling blijft een fundamentele tegenstelling. Ofwel organiseer je een herverdeling van rijk naar arm, ofwel van arm naar rijk. Een halfslachtige opvatting, zoiets tussen de twee, een beetje naar links of een beetje naar rechts, van de os op de ezel, lijkt me in deze nogal moeilijk.

Dames en heren,

De grote Egon Erwin Kisch, de razende reporter, wist: niks zo fascinerend als de tijd waarin we leven.

Ik ben een fan van Kisch en ik dreig hem dan ook meestal gelijk te geven. Maar ik zou er aan willen toevoegen dat de tijd waarin we leven ook verbijsterend is. Hij veracht fatsoen, bestraft arbeid en voedt gewetenloosheid.

Daar dacht ik aan toen ik gisteren na een stekelige promenade door Brussel op de trein zat richting mijn adoptiestad en door een manuscript van Bruno Tersago bladerde.

Alweer reclame voor EPO, sorry – het is nu echt de laatste keer.

Bruno verhuisde in 2000 naar Griekenland, werkt in een callcenter maar als u hem kent is dat wellicht als gelegenheidscorrespondent van de VRT.

Eigenlijk beperkt hij zich in zijn boek-in-progress gewoon tot het beschrijven van wat hij ziet. Maar wat hij ziet doet pijn.

Ik zal ze u besparen, de getuigenissen van zijn gepensioneerde buurman Dimitris die rijpe olijven uit de bomen klopt om zijn pensioentje van 400 euro aan te vullen. Of het verhaal van zijn vriend Nikos, die met zijn vrouw naar een camping op dertig kilometer ten oosten van Athene is verhuisd. Of van Bruno zijn vrouw die lesgeeft in Perama en elke week huilend thuiskomt omdat er weer leerlingen zijn flauw gevallen van de honger. Of van Bruno zelf die op vier tijd 55% van zijn loon heeft moeten inleveren.

Ik zal ze u besparen omdat u zal riposteren dat ik niet moet overdrijven, dat de situatie in België en die in Griekenland over dezelfde kam scheren geen zin heeft, dat in ons koninkrijk aan de Noordzee de kinderen niet flauw van de honger vallen en gepensioneerden geen olijven rapen, dat we hier zelfs geen olijfbomen hebben.

Dat is allemaal waar.

Maar dat het land van Homeros zo in het zomp wegzakt is ontegensprekelijk wel onderdeel van het totale Europese plaatje waar ook België deel van uitmaakt. En een gevolg van de logica die ook ons regeerakkoord uitademt. In de lidstaten van de Unie heerst een politieke drive. Vooraan in het Europese beleid staat de benchmarking: de zaken op elkaar afstemmen, heet dat, met allerlei parameters.

Op mijn blad staat dat ik hier een vies gezicht moet trekken.

Want ‘op elkaar afstemmen’ is eigenlijk alleen maar een giftige manier om ‘tegen elkaar opconcurreren’ te zeggen. Zoals een baas netjes spreekt over het sexy ‘afslanken’ als hij zijn personeel ontslaat en de veterinair over ‘inslapen’ als hij een ziek paard een laatste spuitje geeft. Of zoals ge stoelgang zegt en ontlasting bedoelt.

Het is vanavond al gezegd: taal is soms een machtig wapen.

Beste aanwezigen,

Ik wil dit slotpleidooi dat misschien niet echt een pleidooi is afronden met een kriebel van een vraag waar ook onze panelleden zich al over gebogen hebben: waar moet deze strijd naar toe? Welke richting moeten we uit?

Op een van de eerste vergaderingen van Hart boven hard, in het lokaaltje van de scouts in Antwerpen, vlakbij het Centraal Station, hoorde ik een discussie tussen twee aanwezigen. De ene pleitte er voor om per direct de revolutie te starten, de andere wilde afwachten en zien of het niet allemaal zou meevallen.

Ik verklaarde mezelf onbevoegd.

Wel heb ik er lang over zitten nadenken. Want dat de korte weg beter is dan de lange, het zal wel zijn. Maar als iemand de korte weg kent en hem niet kan tonen of de rest blijft achter, wat is dan het nut van die kennis?

Hoe we precies verder moeten weet ik ook niet.

Maar als uitgever van ongegeneerd linkse boeken ben ik wel van één zaak overtuigd: elk verzet begint met informatie en daar zijn we nu mee bezig.

Elk verzet begint ook met vertrouwen in eigen kunnen. Mijn trainer bij KFC Gerda peperde ons vroeger altijd in: wie schrik heeft krijgt ook slaag! Toen was dat peptalk, want we hadden niet zo’n geweldig ploeg. Maar hier en nu zijn die woorden zo waar als ik ze na-echo. Want wij zijn met meer dan zij. Het is helemaal zoals die goede oude Elsschot ooit schreef: de groten hebben de macht, maar de kleinen zijn talrijk en tegen de mieren is geen tijger bestand.

Ik denk dus dat er veel kansen liggen. Laat ons om te beginnen de kans om front te vormen met de vakbonden, die een hele actieplanning hebben, met beide handen grijpen.

Dat betekent: afspraak op de nationale betoging op 6 november. In Oost-Vlaanderen volgt ook nog een stakingsdag op 1 december, daarna komt de nationale staking op 15 december.

Want zoals Tom Lanoye daarnet zei: het land moét plat.

Ik dank u.

woensdag 17 september 2014

Hoe een Antwerps soldaatje de harten van de Japanse vredesbeweging verovert



Het moet niet altijd Kuifje zijn die de wereld verovert. In Japan drukt de vredesbeweging de kleine soldaat uit het gelijknamige prentenboek van de Belgische auteur en tekenaar Paul Verrept aan de borst.

In juni gooide de Japanse regering haar defensiebeleid, ooit simpel samen te vatten als “wij-hebben-geen-leger”, helemaal om: tabé pacifistische grondwet, vaarwel principe dat “de Japanse bevolking voor altijd de oorlog verwerpt als een soeverein recht van de staat”, tot ziens stelling dat “het gebruik van geweld geen middel is om internationale conflicten te beslechten.”

Als de belangen van bondgenoten bedreigd worden kunnen Japanse soldaten straks weer hun vechtjas aandoen. Japan mag bevriende naties ook opnieuw wapens verkopen. Zelfs al holde gebeuk van binnen- en buitenlandse haviken de Japanse vredespolitiek de laatste decennia al zwaar uit, de koerswijziging lijkt, zoals The Guardian schreef, de meest dramatische politieke shift in zeventig jaar.

Sinds de gruwel van de Tweede Wereldoorlog, waarbij sabelslijpers 2,6 miljoen Japanners de dood injoegen en de VS Nagasaki en Hiroshima op een atoombom trakteerden, is “Nooit Meer Oorlog” in het land van keizer Akihito veel meer dan een in een toren gebeitelde leuze. Dat de regeringsbeslissing voor protest zou zorgen stond dan ook in de sterren geschreven.

Maar dat een bescheiden rol in dat verzet zou weggelegd zijn voor de Antwerpse auteur en tekenaar Paul Verrept had niemand verwacht. Zijn prentenboek De kleine soldaat, in onze contreien uitgegeven door EPO-imprint Larrios, werd in 2009 naar het Japans vertaald. Het eerste jaar ging het tweeduizend keer over de Japanse toonbank, daarna viel de verkoop stil. Maar sinds juni is het aan een tweede leven begonnen.

Op een dag was het oorlog en sommige mensen begrepen waarom
De kleine soldaat is een somber, poëtisch verhaal’, zegt Verrept. ‘Het gaat over een jongetje met een bruine knuffelbeer dat naar het front trekt.’ Op de eerste prent zie je hoe het hoofd van dat ventje maar net boven de keukentafel uit komt. Hij staart naar een schietende miniatuurtank. “Op een dag was het oorlog”, luidt de begeleidende tekst zuinig. De volgende bladzijde kom je te weten: “Sommige mensen begrepen waarom”.

Een lovend artikel van de krant van de Japanse Communistische Partij katapulteerde Chiisana Heitai, zoals het boek in het Verre Oosten heet, het boek van Verrept weer in de belangstelling van de vredesbeweging. ‘De kleine soldaat toont ons de realiteit zoals hij is: de oorlog komt op kousenvoeten ons dagelijks leven binnengewandeld’, citeert de journalist Etsuki Nozaka, de vertaler van het boek.

‘Ik denk dat de kracht zit in de vermenging van het soldaatje spelen met de echte oorlog’, aldus Paul Verrept. ‘Tijdens mijn legerdienst in de jaren tachtig merkte ik al dat velen rond mij die periode als een soort langgerekt bosspel beschouwden. Ik heb me nooit illusies gemaakt en wist: indien nodig word ik naar het front gestuurd en moet ik op andere mensen schieten. Ik vond dat erg confronterend.’

Ook aan deze zijde van de planeet scheren de haviken met de dag lager. De kleine soldaat dreigt een mooie toekomst tegemoet te gaan.


vrijdag 20 juni 2014

‘Ge moogt de kracht van het lied nooit onderschatten’


Met hun sociale jukebox wekken Hans Mortelmans en Jokke Schreurs de geest van Woody Guthrie weer tot leven. Een bericht over gitaren die hele en halve fascisten tackelen, oude kromme mannekes die op tafels klauteren en volksverheffing-met-de-glimlach.

Een zaterdagavond in juni, de klok flirt met middernacht, en in de tent van The Celtic Art Gallery in het Limburgse vlekje Ham, in de schaduw van de schoorstenen van Tessenderloo Chemie en op wandelafstand van Wouter Bekecity Leopoldsburg, hebben Jokke Schreurs en Hans Mortelmans net het orgelpunt van hun bijna drie uur durend sociale jukebox ingezet.

Het bisnummer is een herwerking en vertaling van een nummer van Woody Guthrie, oervader aller protestzangers, over gesyndiceerde vrouwen. Het refrein, een vrolijke oorwurm, gaat als volgt: ‘Ge maakt mij niet bang, ik ben bij de vakbond, ik ben bij de vakbond, ik ben bij de vakbond. Ge maakt mij niet bang, ik ben bij de vakbond, tot mijne laatste adem, bij ’t vakverbo-o-o-o-o-nd.’

De geplamuurde madam naast mij hijst haar glas wijn en loeit met een geestdriftig gezicht mee. Haar vriendin tamboert met twee vuisten woest op tafel alsof ze met de directie van Delhaize aan de tafel zit en haar argumenten kracht wil bijzetten. Een paar uur eerder hoorden we beiden nog kakelen over de zomercollectie van H&M: het klinkt onwaarschijnlijk maar het is zo waar als we het noteren.

De twee dames zijn geen uitzondering. Overal om ons heen veren nu mensen recht, de laatste van wie je het verwacht het eerst. Aan de andere kant van de tent, onder de affiche voor het plaatselijke folkfestival, klautert een oud, krom manneke, alle protest van zijn eega ten spijt, op een tafel. Schreurs en Mortelmans spelen als een koppel kruidige vuurpijlen, de tent zorgt voor het klappen en juicht: ‘t is juist wat ze zingen.

We wrijven ons de ogen uit. Is dit nu de regio waar de slippendragers van Voka stemmen binnenrijven met hetzelfde gemak als de puisterige puber paninistickers van het WK voetbal in Brazilië? Het toont nog maar eens aan dat Jan Cap, de legendarische delegee van Boelwerf Temse, zich niet vergiste toen hij pessimistische werkmakkers inpeperde: ‘Ge moogt de kracht van het lied nooit onderschatten.’



Volksverheffing
Het concept van de sociale jukebox is uniek: het publiek vraagt geen songs aan maar thema’s die op het armzalig kopietje staan dat het bij het binnenkomen in hun handen kreeg gestopt. Daar spelen de twee ‘spelemannen’, zoals ze zichzelf in hun voorstellingsnummer noemen, dan een nummer over: een cover, een halve cover, een  vertaling of een eigen creatie.

Zijn vanavond de revue gepasseerd: GAS-boetes (ofte ‘de restauratie van de moraal’), de Vlaamse kwestie, mobiliteit, loon-naar-werk, schone kleren, oorlog, allochtonen, stakingen, vermogensbelasting, mini-jobs, de loonhandicap, milieu, ziekteverzekering, ondernemen, working poor, minnelijke schikkingen (voor de aanzienlijken en voor het volk ) en we vergeten er zo nog wel een paar.

Ook het publiek mag meedoen, want tussen die verzoeken door dagen Mortelmans en Schreurs alleman uit copla’s te fabriceren op de tonen van Stadscoupletten van de Antwerpse volkszanger Wannes Vande Velde. Copla’s zijn zoiets als haiku’s maar dan plezanter, verspreid over zeven regels en telkens naar een conclusie toewerkend. Wie iets uit zijn mouw schudt krijgt een micro onder zijn neus geduwd.

De inspiratie des volks levert pareltjes op. Ook in het Limburgs, ook onder de schoorstenen van Tessenderloo Chemie, jazeker. Over het pensioenvraagstuk komt bijvoorbeeld het volgende uit de bus: ‘Ik mag nu bijna met pensioen. Ik ben nu bijna zesentachtig, en dan moogt ge met pensioen. Maar zijt gerust, 'k ga ondertussen, links en rechts zo nog wat klussen. Dat is wat ne mens moet doen. Ge komt niet rond met uw pensioen.’

Of wat dacht u over deze copla rond de vraag naar de werkelijke bestuurder van dit koninkrijk aan de Noordzee? Met een knipoog naar EPO-auteur Marco Van Hees:‘Onze koning heet Albert, en het is Boudewijn zijn broer niet, maar onze koning heet Albert, en wie denkt dat het Philippe is, ja, die slaat de bal wel goed mis, dit land is van de financière, de koning die heet Albert Frère.’

Zo zorgen Jokke Schreurs en Hans Mortelmans, samen met hun publiek, voor een geluid dat de soundtrack van de sociale beweging zou kunnen zijn; volkscultuur die de mensen een geweten zingt, ver weg van de platitudes van de commerce. Alsook volksverheffing-met-de-glimlach waarin de strijd het zout en de peper, de kaneel en de curry, het zoet en het bitter is.

Ons heeft de sociale jukebox een warm compres rond het hart gelegd.

Thomas Blommaert

Hans Mortelmans en Jokke Schreurs brengen hun sociale jukebox elke laatste woensdag van de maand in café Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24,  Antwerpen. U kan hen ook zelf uitnodigen in uw staminnee, vzw, wijkclub, volkshuis, enzovoort: jokkeschreurs@gmail.com of info@hansmortelmans.be