vrijdag 28 juni 2019

Een boek over de dood dat zindert van het leven - bij de lancering van Requiem pour L.


Goedenavond,

Het is me een eer en een genoegen u te mogen verwelkom op de voorstelling van het nieuwe boek van Alain Platel, zijn eerste boek dan nog. Het heet Requiem pour L., precies zoals de gelijknamige voorstelling die tegelijk opera, concert, dansvoorstelling en eerbetoon is en daarom zo moeilijk onder een vlag te vatten is. Daaruit zou u kunnen concluderen: dit is het boek bij de voorstelling zoals je soms cd’s hebt bij films. Daar zit zeker iets van waarheid in. Maar tezelfdertijd zijn voorstelling en boek ook twee verschillende dingen, zoals een boom in de lente anders is dan een boom in de herfst.

De grote lijnen van wat op het podium gebeurde kent u al: Fabrizzio Cassol en Alain Platel, de componist en de choreograaf, stoften het oeroude, oer-Europese Requiem van Mozart af. Ze doen dat met zang, met een bedwelmende interpretatie in jazzy, Afrikaanse en Indiase klanken, en in talen van over heel de wereld waaronder het Lingala en Swahili. Maar ze doen dat ook met film. Met, op een groot scherm op de achtergrond, vertraagde beelden van L., van Lucie, een blonde engel die voor euthanasie heeft gekozen onder begeleiding van dokter Marc Cosyns. Ze ligt op haar sterfbed, omringd door familie. Het publiek kijkt haar pal in het gelaat. 

Begin 2018 ging het stuk in première in Berlijn. Thomas Oberender, de intendant van de Berliner Festspiele, zei toen tegen Alain Platel en Fabrizio Cassol: ‘Dit is jullie dapperste en sterkste werk ooit. Ik was bang toen jullie deze productie voorstelden. Ik weet nog altijd niet of ik het had moeten aandurven. Maar ik heb zelden een voorstelling meegemaakt met een zo sterke band van het publiek in de zaal met elkaar en met de scène.’ Toen ik Requiem pour L. zag in Lille begreep ik wat de intendant bedoelde. Nooit eerder zag ik een zaal zo omver geblazen worden, nooit eerder was ik getuige van zo’n lange staande ovatie.

Maar, en dat brengt ons bij het boek, wat doet het maken van zo’n delicate voorstelling met een artiest, die op de eerste plaats toch ook maar een mens is? Hoe gedraag je je als je babbelt met de vrouw wier dood je zo echt mogelijk op de scène wil reconstrueren? Wat zeg je aan haar familie? Welke discussies brachten de beelden met zich mee bij de balletten? In driehonderd pagina’s overschouwt Alain Platel zijn meest intense voorstelling ooit. Het is een verhaal over twijfel. Misschien is het zelfs een lofzang op de twijfel. Ze zit in de afgewogen adjectieven, in de plaatsing van de leestekens, in de witruimtes en het lettertype en de keuze van de foto’s. Want dat iets zus is en niet zo, hoe moeilijk is het om dat te zien en daar dan de juiste woorden voor te vinden? En ook: hoeveel realiteit kan kunst dragen?

Dames en heren,

Ik dreig het uniek te vinden dat Requiem pour L. ook een boek is geworden. Er verschijnen weinig uitgaves die zo diepgaand reflecteren over een artistiek proces. Zeker niet als dat proces overlapt met een uitgesproken morele kwestie en al evenmin als het verhaal erachter zich verweeft met de geschiedenis van een gezelschap van het kaliber van Les Ballets C de la B. Toen ik de eerste teksten las waaide in mijn hoofd vaak Ecrire binnen. Kent u dat? Het is het magnifieke boek dat Marguerite Duras bij elkaar tikte over, inderdaad, schrijven. Voor Duras behoedt schrijven je om niet in waanzin weg te zinken. Is het met theater maken niet net zo?

Het is niet alleen uniek dat Requiem pour L. een boek is geworden. Want het omgekeerde geldt evenzeer: Requiem pour L. is een uniek boek geworden. Om te weten in welk rek het in de boekhandel terechtkomt, krijgt elk boek een NUR-code. In het geval van de worp van Alain is dat, mocht u dat interesseren, 840 en 760. Dat heeft iets bevreemdends want dit prop je uiteraard niet in een rayon. Het boek biedt een blik achter de coulissen van de balletten, jazeker. Maar het geeft Lucie ook een gezicht – en op een andere manier dan op het podium, want papier is nu eenmaal een ander medium. Je leert haar kennen als vrouw, moeder, feministe, abortusactiviste en PVDA-militante. Je ziet haar huisje in De Pinte, met veel kleuren en planten. Je voelt de weemoed, je proeft de pijn. Je denkt; dit had ik ook kunnen zijn.

Ook Alains overleden vader passeert de revue in het boek. En Gerard Mortier, en Alains hond en nog een reeks andere gestorven dierbaren – er is de laatste jaren veel dood geweest in zijn leven. Er zijn ook de bezoeken aan mensen die net als Lucie voor euthanasie kozen. En er is de trip die hij onderneemt met Boule en Russell naar een oer-Vlaamse begrafenis in Sleidinge, en de gedachte dat begrafenissen in Congo, waar de twee artiesten van afkomstig zijn, grootse gebeurtenissen zijn, waar dagenlang gekookt wordt, hard geweend, gezongen en gedanst, daarna gegeten en gedronken, en ten slotte nog meer gezongen en gedanst – waar een uitvaart een viering van het leven is, quoi.

Samengevat: er zit veel dood in die driehonderd pagina’s. Toch is Requiem pour L. een boek dat zindert van het leven. Ergens schrijft Alain over zijn studentenjaren in een huisje in de Kasteellaan in Gent waar hij, schouder aan schouder met onder andere Marc Cosyns, zijn politieke en seksuele opvoeding kreeg en leerde hoe je rondkwam met zesduizend frank. Hij vertelt ook dat hij daar twee geboortes meemaakte. Enthousiast noteert hij: ‘De geboorte! Dat ene gigantische kleine moment waarop het lijkt alsof de wereld de adem inhoudt.’ Om dan op te merken: ‘Een gewaarwording die ik later zou herkennen, toen ik bij het sterven aanwezig was.’ Er zijn veel sleutelpassages in het boek, maar dit is er zeker een van. Want het is geweten; je hebt aanval en verdediging, opmars en terugtocht, overwinning en nederlaag. Maar misschien horen leven en dood helemaal niet thuis in dat rijtje, misschien vormen die twee dan toch geen antagonisme.

Beste mensen,

Requiem pour L., het boek, is een tweede monument voor Lucie en voor het leven. Ik wil Alain er erg voor bedanken. Ik vond onze samenwerking zeer bijzonder. Heel warm en open ook. Ik niet alleen. Toen het boek maandag van de persen rolde, stond werkelijk iedereen in onze kleine boekentempel, van drukker tot lay-outer, van redacteur tot chef promotie, errond verzameld. Alsof ze collectief een nieuwgeborene wilden begroeten. We drukken zowel de auteur als het boek aan ons hart. We omhelzen ook Lucie en haar familie. Stiekem hoop ik dat ze blij zou zijn met de wetenschap dat het bij EPO is verschenen, een uitgeverij waarmee ze veel mee had en heeft.

Ik geef graag het woord aan Anna Luyten. Zij zal eerst Alain interviewen en daarna Alain, Elke en Dafne, de dochters van L. Tussendoor trakteert Russell Tshiebua u ook op een muzikaal intermezzo. Aansluitend kan wie dat wil het boek kopen en laten signeren door de auteur die zopas de Parnassus beklommen heeft.

Ik wens u een fijne avond.

donderdag 24 mei 2018

Over de beeldvorming van Borgerhout


In april vroeg Apache.be me, vertrekkend vanuit mijn boek Asterix aan de Schelde, een inleiding te verzorgen voor het Apache-debat over het imago van Borgerhout. U vindt hier de tekst die ik bij die gelegenheid uitsprak.

In augustus 2000 meldt oud-De Morgen-journalist Rudi Rotthier zich aan in een gesjeesd hotel in de Terlostraat met uitzicht op de stukgegooide ruiten van een gesloten plasticfabriek: Hotel Fabiola. Vier maanden lang schrijft hij Borgerhout op. Hotel Fabiola, want Rotthier noemt zijn boek naar zijn tijdelijk arendsnest, is het portret van een district dat in de touwen ligt. ‘Ook in het licht van de zon kijken de bewoners neerwaarts en somber’, noteert de schrijver wanneer hij van het Jan Borluutplein naar het Groeningerplein wandelt.

Zelfs bij de Borgerhoutse positivo’s, zoals Rotthier ze meesmuilend benoemt, sluipt de twijfel binnen. Na de zoveelste verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok vertrouwt een vrouw hem toe: ‘Ik ben moe. Al twintig, misschien al dertig jaar, werken we aan de buurt. En keer op keer winnen de anderen. Keer op keer drukken we op de verkeerde knoppen, of op de juiste knoppen, maar dan worden die anders geïnterpreteerd.’

De stembusgang die de vrouw zo van slag brengt vormt het orgelpunt van Rotthiers boek. In 2000 kiest de Antwerpenaar niet alleen de gemeenteraad maar voor het eerst ook de districtsraad, want de politiek moet dichter bij de burger. In Borgerhout klopt het Vlaams Blok af op 35%. Geen mens die ervan opkijkt. Aan de Schelde heeft extreemrechts in die periode een bastion en haar postcode is 2140. Het Blok brak in 1988 door in Antwerpen. Overal haalde het rond de 17%. Weet u hoeveel Dewinter en co. in Borgerhout scoorden? 27%. Drie jaar voor Zwarte Zondag!

***

Ruim twaalf jaar na het boek van Rudi Rotthier begon ik zelf te lanterfanten in Borgerhout. Maar wel om een totaal ander verhaal op te rapen – het relaas van twee politieke experimenten die hier na de districtsraadsverkiezingen van 2012 samenkwamen: de eerste coalitie ooit in de geschiedenis van dit land tussen sociaaldemocraten, groenen en marxisten en de bestuurlijke ontmaagding van de Partij van de Arbeid. Er was ook nog een derde experiment: de oprichting van een linkse enclave op rechteroever en de daaruit volgende botsingen met de troepen van Bart De Wever die bij diezelfde verkiezingen de rest van de stad hadden veroverd. And last but not least zag ik ook een verhaal over de tijd en haar gevoel voor humor. Van Blokbastion naar linkse nederzetting: hoe verzin je het?

Zeker in die eerste maanden zeulde ik Hotel Fabiola altijd mee in mijn blauwe rugzak. Soms deden de verhalen me luidop lachen. Soms zuchtte ik om zoveel menselijk gehannes. Maar vrijwel elke keer was ik verbaasd en krabde ik in mijn haar. Dat kwam natuurlijk omdat ik las over de straten en pleinen waar ik zelf rondhing. En dan waaide vaak de gedachte binnen dat een nieuw voordorp over het oude was geschoven, deels met dezelfde statige herenhuizen en dezelfde pleintjes maar vooral met andere bewoners, andere kleuren en geuren, en een totaal andere sfeer. 

Ik trok op met Amar, een jongerenwerker van de Pleinpatrons, een project van het districtsbestuur, Jes, Kras en Samenlevingsopbouw dat de jeugdige Borgerhoutenaar probeert te mobiliseren als vrijwilliger op een van de pleintjes. Ik leerde Joost kennen, de voorzitter van Boho 2140. Samen met ondervoorzitter Rafik gaf hij zijn handelaarsvereniging een heel nieuw elan en er kan geen activiteit doorgaan of de zelfstandigen zijn van de partij. Ik ontmoette Nordin van al Ikram waarvan ik lange tijd dacht dat ‘van al Ikram’ zijn achternaam was, terwijl dat de armoedevereniging is waarvan hij het hoofd, hart en handen is.

Zonder er een mythe van te willen maken: de renouveau van Borgerhout is redelijk  spectaculair. In mijn boek besticker ik het Borgerhoutse middenveld als de wegbereider van die transitie. Want ik vernoemde zonet de pleinpatrons, Boho 2140 en al Ikram. Maar er zijn er vele andere: er is De Roma, het cultuurhuis dat met één been in die geweldige zaal staat en met een ander been in de wijk. Er is Rataplan, er is Samen op Straat, er is ’t Werkhuys... afijn, ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Eerlijk? Ik ken geen ander Antwerps district waar zoveel actiegroepen en buurtcomités tegen elkaar opklutsen.  

***

Het eigenaardige is: telkens als wij over Borgerhout spreken lijken we te vertrekken van nul. Feiten uitgewist, argumenten weggeveegd, oude karikaturen nieuw leven ingeblazen.

Asterix aan de Schelde werd op 9 april voorgesteld in De Roma. Vorige week kwam het totaal onverwacht binnen in de non-fictie top 10, tussen illustere titels als Leven zonder filter, De edele kunst van not giving a fuck en niet te vergeten Doe en denk als een kat. Het kreeg dan ook nogal wat aandacht. Er verschenen interviews en artikels in Gazet van Antwerpen, Het Laatste Nieuws, De Morgen, Humo, De Standaard, ik zat op Interne Keuken, enzovoort. Zelfs de meest kritische journalisten spraken over een uitstekend geschreven boek, een bijna antropologische reportage en een feitenrelaas waar weinig tegen in te brengen is. 

Tegelijkertijd kreeg ik, het was te voorspellen, nogal wat trollen op mijn dak. Ik vertel dat niet om uw compassie op te wekken, maar omdat het relevant is in het licht van deze avond. De heer S. Bracke uit Gent, tijdens de werkuren voorzitter van de Kamer, presteerde het om mij een auteur-tussen-aanhalingstekens te noemen. ‘De auteur’  Thomas Blommaert. Woehaha! Dat mijn vorig boek, sorry voor de zelfstoef, een viersterrenrecensie kreeg in De Standaard der Letteren en aangeprezen werd als tip van de week? Onbelangrijk. Dat datzelfde boek David Van Reybrouck aanzette tot een bijna gênante vergelijking met Louis Paul Boon? Een detail. Neen, wat telde: wie een andere waarheid over 2140 vertelt kan bij veel rechtse roeptoeters rekenen op dédain, meewarigheid over zoveel naïviteit en stigmatisering als extreem-linkse auteur-tussen-aanhalingstekens. 

***

Voor alle duidelijkheid: nergens in mijn boek schrijf ik dat Borgerhout het Shangri-La van Antwerpen is en nergens ontken ik het licht van de zon. Wat ik wel beweer is dat de problemen in het jongste, armste en dichtst bevolkte district van Antwerpen systematisch en ik denk zelfs bewust worden uitvergroot. In het voorlaatste hoofdstuk zegt schrijfster Anne Provoost, die hier op een paar honderd meter woont, dat rechts in het algemeen en onze stedelijke parttime burgemeester in het bijzonder, elders stemmen kan winnen door het beeld uit te vergroten van het contraire Borgerhout, met zijn links bestuur, zijn relletjes, zijn culturo’s en zijn allochtone patsers. ‘In Borgerhout ligt voor De Wever het kapitaal dat hij in de rest van Vlaanderen kan verzilveren’, vat ze dat samen. Het is cynisch en het doet denken aan Frank Underwoord van House of Cards maar ik vrees dat ze gelijk heeft. 

Een kleine bloemlezing; een samenscholingsverbod op de Turnhoutsebaan omwille van een schimmige sms die niemand gezien heeft. De begrafenis van het Moorkenspark, dat het betonschurft en het gebrek aan openbare ruimte een beetje moest compenseren. Het mobiliteitsbeleid dat de auto voorrang gaf. De fascisten van N-SA die in eerste instantie groen licht kregen voor een betoging tegen ‘het oprukkende communisme’ – voor het districtshuis en op 1 mei. Een straatpicknick die verboden werd, tramlijnen afgebroken. 

‘Pestgedrag’, noemde De Standaard-journalist Bart Brinckman dat in zijn recensie van Asterix aan de Schelde. Brinckman, die vlakbij het Moorkensplein woont, vervolgt: ‘Daarop entte zich een negatieve beeldvorming waarbij kwalijke incidenten werden uitvergroot of bepaalde bevolkingsgroepen werden geviseerd. De stad lekte een onderzoek dat de – foutieve – indruk wekte dat de informele economie belangrijker was dan de formele economie – tussen haakjes: zonder Apache hadden we de waarheid wellicht nog steeds niet geweten. Borgerhout leek een groot drugshol waar de modale Antwerpenaar het best wegbleef. De burgemeester, die heel wat verzoeken voor overleg negeerde, maakt van het district een perfecte metafoor: stem op mij of een driekoppige linkse draak, met communisten, krijgt het voor het zeggen.’

***

Het brengt me bij mijn besluit. Dat kan in één zin. Namelijk: ik dreig te denken dat je het niet kan hebben over de beeldvorming van Borgerhout zonder oog te hebben voor de politieke strijd die zich hier afspeelt.  

Dag Jan

Vorige week stierf Jan Cap, syndicalist met rechte rug uit mijn geboortestad. Jan was 87. Dan weet je dat dat kan gebeuren. Toch werd ik stil van het nieuws. Bij wijze van adieu het kortverhaal dat ik in 2011 bij elkaar tikte voor 'Agents-Provocateurs. 20 Onder 35, een selectie van de origineelste jonge schrijvers uit Nederland en Vlaanderen', een boek dat verscheen bij uitgeverij Prometheus. 


Jan Cap zoals iedereen hem kende: als de man links in beeld, met de vuist in de lucht. (Foto Amsab)


Zoekt gij Boel?

zaat: droogvallend gedeelte van een haven of droogvallende zandplaten langs de benedenstroom van rivieren. Het zaat werd vroeger gebruikt om schepen onder de waterlijn te kunnen onderhouden of te repareren: te banken. Gerelateerde term: getijdenwerf.


Een gordijn in appartementsblok Methania schuift opzij. Twee priemende ogen bewaken hun eigendom: de buxusplanten op het luxe terras met zicht op de Schelde. Een chique madam van een jaar of vijftig komt samen met haar maltezer uit Resto De Zaat en staat in het deurgat te telefoneren, waarschijnlijk met een andere chique madam van rond de vijftig in de deur van een restaurant aan een andere rivier. Een bejaarde wielertoerist met rode kop en van zweet doordrenkt truitje van Mapei-GB stopt aarzelend, kijkt nerveus om alsof hij op het punt staat iets onwelvoeglijks te doen, om uiteindelijk gewoon te vragen: hoe geraakt ge hier terug op den dijk?

Het is zondagvoormiddag en de hagelnieuwe residentiële wijk in Temse met de voor buitenstaanders enigmatische naam De Zaat is juist om boterkoeken of staat zich geeuwend te scheren in zijn kamerjas. Gij zwerft rond op het smal binnenpleintje dat u door zijn woestijngele kiezeltjes doet denken aan de gang van Shoppingcentrum Waasland, die u op zijn beurt doet denken aan alle gangen van alle shoppingcentra ter wereld. In uw hoofd dzjingelt een voor uw doen vrolijke oorwurm van Hans Mortelmans & Groep: ‘Er zit jazz in de benen van nonkel Staf – nonkel Staf – nonkel Staf’. Maar welke muzak er in de benen van De Zaat zit, zoudt ge niet weten. Alleszins niet Charlie Parker. Wie hier op een van de drie bruine, halvemaanvormige designbanken wil zitten, moet volgens het politiereglement eerst zijn broek afkuisen.

Hadden de betonboeren hun gebronzeerde klauwen niet op een andere locatie kunnen leggen? Ge zult wel niet de eerste zijn bij wie de gedachte binnenstormt. Ooit bouwden proleten op deze monsterlijk grote site van wel honderd voetbalvelden groot schepen met mythische namen als ‘Methania’ of ‘Muretto’, of ordinaire als ‘Nieuwpoort’ en ‘Nellie’. Van de sirene van de scheepswerf, die viermaal daags het lied der arbeid zong, tot de veertig cafés in een omtrek van honderd meter: Temse lééfde op het ritme van Boelwerf. Alleen jaarmarkten, stakingen of geboortes van kinderen met twee koppen – de laatste keer, vlak na de Tweede Wereldoorlog, vroeg de dokter iedereen erover te zwijgen; twee dagen later stond het in The New York Times – konden de schijnbaar eeuwige wals tussen kop en kont onderbreken.

***

Niet dat ge dat zelf allemaal hebt meegemaakt. Toen de scheepswerf begin jaren negentig onder de deskundige begeleiding van de Vlaamse regering en de Nederlandse curator Begemann zijn doodsreutel uitstootte en de zegswijze ‘Als Begemann u niet gekloot heeft, is hij het vergeten’ het licht zag, zat ge nog op de lagere school. Maar hoe dikwijls zijt ge in uw kindertijd niet over de brug van Temse gereden, zittend op de achterbank van de zwarte Peugeot 205 van uw moeder? Ge strekte dan altijd, zoals ook giraffen dat kunnen, uw jongenshals om een glimp op te vangen van de reusachtige boten, soms halve steden, die ongeduldig lagen te wachten om, na een doop met champagne, vorst en vaderland te dienen bij de Koninklijke Belgische Marine, koffie of suiker uit Santos te gaan halen, of levenslang te pendelen tussen Dover en Oostende, honderden auto’s en vrachtwagens in de buik, duizenden passagiers op de rug.

Dat de scheepsbouwers nu geen schepen meer bouwen: het is de globalisering die meedogenloos over oude industrieën dendert gelijk een tsunami over Aziatische kuststroken, meneer. Maar dat met de nieuwe residentiële wijk meteen ook de geschiedenis is uitgegomd, stemt u weemoedig. Het is precies of ze hier gegeneerd de geur van zwetende lijven hebben weggespoten met deodorant van Armani. En alsof die gedachte nog eens moet bevestigd worden leest ge over de lengte van de vitrine van een winkelruimte: ‘HIER KOMT PLANETSUN WELNESS STUDIO vanaf november 2011’. Ge denkt aan de chique madam aan Resto De Zaat die daarjuist misschien voor een gezichtspeeling naar Waasmunster of Dendermonde is gereden, en aan haar kalende en onzekere man die op een verzekeringskantoor werkt en welnessstudio’s in Waasmunster of Dendermonde wantrouwt omdat daar vaak mannelijk personeel werkt.

Maar scheepsbouwers en peelings: dat accordeert niet. Het enige wat hier nog aan Boel refereert is een miezerig standbeeldje waar ge uw hond nog niet tegen zoudt willen laten pissen, en een kraan die staat te roesten op den dijk: achtenveertig meter melancholie, een cadeautje van curator Begemann en ondertussen beschermd als monument. De kraan staat daar kaal en roestig symbool te staan voor de manier waarop de gemeente omspringt met haar erfgoed. Zelfs een kartonnen bordje met de boodschap ‘Deze imposante torenkraan van 48 meter werd in 1956 gebouwd in Rotterdam en is het laatste overblijfsel van meer dan 150 jaar scheepsbouw in Temse’ is haar niet gegund. En het dossier voor de ondertussen hoogdringende restauratie laat al zo lang op zich wachten dat God en klein Pierke hier doorhebben dat Marc Cordeel, tegelijk bouwheer, aannemer en bewoner van De Zaat, de kraan graag zou zien verdwijnen. Van een vriend van een vriend van iemand van de gemeente hebt ge gehoord dat hij er morgenmiddag over wil samen zitten met zijn vriend de burgemeester. Omdat de kraan hem een slecht geweten bezorgt? Ga weg. Omdat ze het uitzicht van op zijn bankirai terras op de Schelde bederft.

***

In de schaduw van die kraan wacht ge op Jan Cap, de oude vakbondsman van Boelwerf met wie ge hebt afgesproken. Ge maakt een foto van de lelijke blokken waar ook Cordeel in huist. Ze herbergen penthouses van 237 vierkante meter ter waarde van 761.643 euro maar staan precies naar De Schelde te staren alsof ze er elk moment van miserie kunnen inspringen. En ge zucht, kop in de kraag want er is een gure wind aan het opsteken: hadt ge in plaats van een karikatuur te tekenen over oude scheepsbouwers en nouveaux riches met buxusplanten op hun terras en een kraan die morgenmiddag allicht haar doodsvonnis krijgt niet beter een historie verteld die uw lezers wat hoop en vooruitzicht zou geven? Wat koopt ge tenslotte voor nostalgie? Voor ge het weet zit ge vergeelde prentjes van de dag van toen te sparen.

Maar als hij eenmaal aan is komen schuifelen, Jan Cap met zijn baard van peper en zout en van allen die willen te kaper’n varen, houdt ge maar uw mond, uit respect, en kijkt ge samen zwijgend naar de boten die niet meer op De Schelde liggen te dobberen.

‘Een schip wordt in de hoogte gebouwd,’ zegt hij na een tijdje. ‘Ge begint met de bodem. Daarna moet ge aan bak- en stuurboord platen aanlassen en wordt het schip hoger en hoger.’

Ge voelt hoe hij precies geen goesting heeft om over De Zaat te praten, ook al hebt ge hem daarvoor tot hier gesleurd. Hoe hij de rijkemensenkolonie achter uw ruggen negeert alsof hij daarmee haar bestaan kan opheffen.

‘Een schip is een monument van eenheid, het uitwerksel van de samenwerking tussen tientallen stielmannen: schrijnwerkers, lassers, buizenleggers, branders, stellingmakers, paswerkers, tekenaars, ontroesters...’

‘En kraanmannen,’ vult ge zelf aan.

Ge staart opnieuw naar de Eifelachtige melancholie van ijzer boven u en begrijpt wat Bart Plouvier bedoelde toen hij dichtte dat de kraan zo graag cirkels wil trekken. Maar hals en boom blijven gedwongen stil. Fantoompijn giert waar kabels liepen. De wielen zitten dood op hun spoor. De stroom is afgesneden en zij zodoende, afgesneden van de stroom. Om zijn schoon gedicht maar volledig te citeren.

‘Al die mannen hun werk vormt één geheel dat ge niet kunt opsplitsen,’ bezweert de oude vakbonder en schrijnwerker die ook een man is van het woord. ‘Zoals ge geen twee schepen kunt maken van bakboord en stuurboord, want dan hebt ge twee wrakken. Bart De Wever zou beter eens een paar maand aan een schip bouwen.’

Het is bevreemdend om in de nieuwe Zaat onder een hoge ijzeren elleboog naar een monoloog over eenheid en samenwerking op de oude Zaat te staan luisteren. Over hoe den Boel tot ver voorbij het Waasland bekendstond als het Feyenoord van de scheepswerven waar alleman zijn dag begon met het zingen van ‘Hand in hand kameraden’. Over de heroïsche staking tegen de afdanking van honderden collega’s, bijna dag op dag dertig jaar geleden. Maar liefst vijf maanden duurde die. ‘Het is een plicht uw recht te eisen.’ En over hoe iedereen die een overall droeg erbij hoorde. Ook de mijnwerkers van den Boel: Italianen, Turken, Marokkanen die het licht van de dag niet zagen omdat ze in dubbele bodems van de schepen werkten, of in tanks, in dienst van onderaannemingen. ‘Hoe dikwijls hebben we de werf niet moeten stilleggen om gelijk loon te eisen? Die mannen verdienden tot 60 frank per uur minder. In die tijd!’

En pas als hij aanstalten maakt om te vertrekken, stelt ge Jan Cap de vraag die ge al een uur wilt stellen. Of het hem pijn zal doen dat straks misschien ook de kraan verdwijnt. Hij wrijft zich door zijn baard die grijs geworden is en dunner dan vroeger maar die ge nog altijd fors kunt noemen: een teken dat hij aan een lange uitleg begint. Dat Boelwerf verleden tijd is, klinkt het voor het eerst die middag. En: dat ge het belang van die kraan nu niet moet overdrijven. Maar ook: dat niemand hoeft te denken dat de geest van de Boelman verdwenen is.

Ge fronst uw wenkbrauwen, want het is niet de eerste keer dat ge dat verhaal hoort. En als hij ziet dat hij uw aandacht heeft, doet hij er nog een schepje bovenop: ‘Dat Cordeel maar uit z’n doppen kijkt. Loontje komt om zijn boontje.’

Ge begrijpt het niet goed maar ge noteert het, misschien schuilen hier toch de hoop en het vooruitzicht die ge de lezer hoopte mee te geven.

***

’s Avonds, als de zondagsblues toeslaat, hoort ge hoe de wind zotter en zotter doet en snoeit uit alle gaten. Ge leest over Marc Cordeel die een half leven lang zijn naar zichzelf genoemd bouwbedrijf combineerde met de job van schepen voor de liberalen in Temse en zo half de gemeente volbouwde. Zo’n type. Meer Balthazar Boma uit FC De Kampioenen dan Le Corbusier. Meer karikatuur dan mens ook. Toen Boel failliet ging, noemde hij dat een natuurwet, zo verneemt ge terwijl het buiten zoeft en zucht en de wind alles laat vliegen. Toen het gerecht zoon Filip in de cel stak omwille van zijn betrokkenheid in een netwerk met Italiaanse en Spaanse onderaannemers en koppelbazen dat op grote schaal sociale lasten ontdook, noemde hij dat een schande. De rechtsgang, niet het ontduiken.
En nu lobbyt de Zonnekoning van Temse dus om de kraan weg te krijgen. ‘Ze is zo roest als maar kan zijn. Ze begint een gevaar voor de veiligheid te vormen,’ zou hij zijn vriend de burgemeester elke dag sms’en.

Zelf verbaast het u dat de plannen maar weinig onrust opwekken bij de Boelveteranen die ge de voorbije weken hebt gesproken. Minder dan bij u, blijkbaar. ‘De kraan is eigenlijk van de oude scheepswerf Cockerill Yards in Hoboken, ze is maar op het laatste naar Temse gekomen,’ halen ze hun schouders op. En dan lachen ze slinks, zoals ook Jan Cap dat kan, en besluiten met een wazig verhaal over de geest van de Boelman die nog altijd rondwaart.

Pas als ge al in uw bed ligt schiet u die ene zin van de oude vakbondsman te binnen: de geest van de Boelman eet niet alleen de plastron en de hoed op van bazen die een laat ons zeggen zekere grens overschrijden, hij kan ook dingen in beweging zetten.

De wilde wind! De wilde wind in de nacht voor Cordeel en zijn vriend de burgemeester het lot van de kraan willen beslechten!

Die wind heft met een reuzensprong de hoge ijzeren elleboog aan de Schelde, die niet wil buigen, een beetje op. Een paar centimeter maar, hoe ver en diep zijwaarts de ijzeren wortelpezen ook zijn ingevezen.

De kraan schommelt triomfantelijk.

Op het punt alles in een draaikolk van ijzer, bankirai, buxus en beton dooreen te malen om, met trommelstok en vliegend vaandel in de nok, het penthouse van oud-Vlaams parlementslid Cordeel in de gruw te zenden.

Als was het een natuurwet.

vrijdag 18 mei 2018

Asterix aan de Schelde


Sinds 1 januari 2013 zijn de 3,93 vierkante kilometer Borgerhout de enige in Antwerpen waar de N-VA van Bart De Wever niet aan de macht is. Dit boek vertelt het verhaal van die linkse enclave op rechteroever. Het is een reportage waarin nog twee andere politieke experimenten oplichten: de eerste coalitie ooit tussen sociaaldemocraten, groenen en marxisten en de bestuurlijke ontmaagding van de PVDA. Het is het relaas van Plein Patrons Amar en Mohamed die dwepen met ‘2140’, van Paul Schyvens die De Roma doet herrijzen, van Nordine van Al Ikram die 6.500 euro zoekt om een lijk uit de frigo te halen en van Zohra Othman en de andere nieuwlichters in het districtsbestuur die al eens zingen: ‘Voor geen chanterik peu!’ Maar deze kleine geschiedenis gaat ook over de wolfijzers en schietgeweren die al de dag na de gemeenteraadsverkiezingen klaarliggen om Borgerhout af te pakken wat het heeft binnengehaald. Ten slotte is dit ook een historie over verandering en verlies en hoe daar mee om te gaan en over de tijd die de dingen soms nodig hebben.

Meer info: https://www.epo.be/nl/sociaal-politiek/3454-asterix-aan-de-schelde-9789462671270.htm

maandag 2 mei 2016

Hier is hem terug



Inleiding uitgesproken op de boekvoorstelling van 'Wannes. Hier is hem terug', op 29 april 2016 in De Roma. 

Beste Wannes,

Ik schrijf u op de dag dat ge 79 zoudt zijn geworden, niet toevallig ook de dag dat we in aanwezigheid van veel van uw vrienden uw biografie voorstellen. Sommigen zullen hem een klinker noemen. Een klinker voor een leraar, filosoof, zanger en dichter. Daar valt iets voor te zeggen: het boek telt meer dan 500 pagina’s en weegt bijna evenzoveel kilo – goed, ik overdrijf, maar het is toch een uit de kluiten gewassen baksteen.

Er is niks tegen bakstenen, integendeel. Maar mij komt uw biografie eerder voor als een kathedraal. En de bouwheer laat zich aanspreken met Dree Peremans, uw goede oude vriend. De hoofdtitel is kort maar krachtig: Wannes. Omdat gij een van die zeldzame mensen zijt die alleen een voornaam behoeft, en daarmee smeer ik u geen stroop aan de baard, want – op het gevaar af u te schofferen – mijn marketingcollega’s van uitgeverij EPO hebben daar een bescheiden onderzoek naar gedaan. De ondertitel luidt: Hier is hem terug.

Hier is hem terug. Ergens achteraan het boek beschrijft Dree wat er gebeurde toen ge dat nummer voor het eerst op een podium bracht. Het was in de AB, tijdens het eerste concert na uw ziekte, we schrijven 2006. ‘Tranen rolden over vele wangen. Geliefden knepen in elkaars handen, zaten stokstijf en ademloos te luisteren. Het applaus liet enkele seconden op zich wachten, zolang duurde het voor een ontroerd publiek zijn zinnen weer op een rij had. Wat volgde was een minutenlange ovatie, uit eerbied en respect.’

Ge hoort me hier niet zeggen dat zich woensdag op onze uitgeverij dezelfde taferelen afspeelden toen uw biografie van de persen rolde. Maar héél veel heeft het nu ook niet gescheeld. De reden daarvoor vindt ge in het boek onmiddellijk na de passage die ik zonet citeerde. Want na die frase over de minutenlange ovatie merkt Dree, de bouwheer, op: ‘Daar stond een man die zo vaak had verwoord wat anderen dachten. Een man die voor meer dan één generatie een boegbeeld was geworden. Een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet tegen de onzin die dag na dag wordt rondgestrooid.’

Het lijkt me een zware taak om een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet te zijn. Maar het lijkt me ook een mooie taak. Zelf kan ik zonder blozen zeggen dat gij mijn en vele anderen hun wereldbeeld en politiek engagement mee vorm hebt gegeven. Mijn punkvrienden begrepen nooit dat ik én van The Clash hield én van u. Tot ze mee naar de 0110 concerten gingen, een week voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. En ge daar De flamingant ne me traîtez inzette. De flamingant ne me traîtez, je suis Flamand, fils d'ouvrier. Zieltjes heb ik in mijn leven nooit gewonnen. Maar wat was ik blij en fier dat ze na dat optreden ook de rest van uw oeuvre ontdekten.

Soms, beste Wannes, ben ik benieuwd naar uw gedacht over de gang van zaken vandaag. In uw stad Antwerpen, in Vlaanderen, België en de rest van de wereld. Veel van uw liedjes klinken alsof ge ze gisteren schreef. Of Von Braun nog steeds in de Larousse staat, dat heb ik niet gecontroleerd. Maar  Kerstmis is nog steeds dien dag dat ze niet schieten, Lange Wapper staat nog steeds niet in de gratie, ’t pensioen voor de werkman bestaat nog steeds uit wat centen, en d’omgekochte leiders helpen ons nog steeds in de nesten – al spreken zij geen Frans en zwijgen ze maar niet van de Vlaamse kwestie.

Ik zou zo nog een tijd kunnen doorgang. Maar ik wijk af. Want ik schrijf u over uw biografie, die eigenlijk een kathedraal is. Ik had zo graag geweten wat ge ervan vond. Ik dreig te denken dat ik er nogal gerust in ben. Want als ge erin leest, als ge de woorden naar binnengiet gelijk een goede wijn, dan hoort ge uw stem. Dan denkt ge: ja, hier is hem terug.

Beste Wannes,

Het wordt een grote avond. Met een lang programma waarin, ik schreef het al, veel van uw vrienden zullen figureren.

Een zanger is een groep, dat weet gij beter dan wie ook. Er hebben veel mensen deze biografie mogelijk gemaakt. Ik wil er namens de uitgeverij drie in het bijzonder bedanken. 

De eerste is vanzelfsprekend Dree Peremans. Op de voorstelling van zijn vorig boek noemde ik hem de Vlaamse Stachanov omdat hij op een jaar tijd twee boeken bij elkaar had getikt. Dat was om te lachen. Maar als ik uw biografie lees begin ik het nog zelf te geloven. Hij heeft er acht jaar aan gebouwd en verbouwd, en het resultaat is zowel vormelijk als inhoudelijk verbluffend. Het is helemaal zoals Peter Vantyghem vandaag in zijn viersterrenrecensie in De Standaard schreef: “Niemand is beter geschikt om het rijke leven van Wannes in woorden te vatten dan Dree.” Op onze uitgeverij noemen we Lucas Catherine, een generatiegenoot, graag historicus van Vergeten Zaken. Ik stel voor dat we Dree voortaan bestickeren als Archivaris van de Folk. Na dit boek, maar ook na Naar de bronnen van de Folk, de biografie over Dirk Van Esbroeck, en het Groot Liedboek lijkt me dat meer dan gepast. 

De tweede kent ge wellicht minder. Hij heet Jos Hennes. Jos was een half leven uitgever van EPO. Sinds zijn pensioen komt hij nog drie dagen per week als vrijwilliger en kreeg hij bij ons de titel senior publisher. Hij hoort dat niet graag maar we zeggen het toch. Als er iemand op de uitgeverij verdienste heeft aan dit boek, dan wel hij. Het aantal uren dat hij in het boek stak is niet te tellen.

Last but not least wil ik uiteraard Christa Van de Velde-Bernhardt bedanken. Ik heb nooit aardbeitaartjes met haar gegeten, laat staan thee of sherry gedronken. Maar die ene ontmoeting met haar op onze uitgeverij koester ik. Deze kathedraal is uiteraard ook voor haar. Het is me dan ook een eer en een genoegen dat we het eerste exemplaar van de biografie nu officieel aan haar en haar zoon Christian mogen overhandigen.

Vriendelijke groet,
Thomas